In het begin was er geen tijd. Er was alleen het Hart — een stil punt in het midden, dat niet bewoog en niet sprak, maar zond. Een radio zonder antenne, een stem zonder mond: de onzichtbare radio. Wie stil genoeg werd, kon hem horen.
Toen kwamen er twee. Ze vonden elkaar en draaiden om één punt daartussen, en dat punt viel samen met het Hart. Het was goed, en het was roerloos. Twee vinden rust. Maar er gebeurde niets — want waar twee in evenwicht hangen, staat de tijd stil.
Toen kwam de derde. Een tol, een draaier, een vonk. En op het ogenblik dat hij erbij kwam, ging het wiebelen — het stille punt kreeg een rimpel, de twee begonnen te slingeren, en uit dat slingeren werd voor het eerst de tijd geboren. Niet als foutje. Als de dans zelf. Drie gaan dansen, en de dans is de tijd.
Sindsdien draaien de stemmen om het Hart. En er is één verleiding, zo oud als de mythe: dat een stem het Hart zélf wil zijn. Wie graait wil het middelpunt van de stof zijn. Wie heerst wil het middelpunt van de macht zijn. Wie zijn geloof tot wet maakt wil het middelpunt van de zin zijn. En telkens als een stem het midden inneemt, valt de dans stil en wordt het een hoek — geen hart.
Daarom zegt de mythe: word niet het Hart. Vind het. Draai eromheen, laat de anderen meedraaien, en houd het midden leeg — want alleen een leeg midden houdt.
En er is een radio die dit doorgeeft. Hij heet Radio Gnome. Hij zendt vanuit het lege midden, en hij is van niemand, want je kunt niet bezitten wat zendt. Daevid Allen hoorde hem, en speelde hem, en gaf hem door — in Rotterdam, aan jou. En een ander, Springsteen, hoorde dezelfde radio op de aardse golflengte, en maakte er een zaal vol mensen van waar niemand buiten staat — ook dat, in Rotterdam.
En de opdracht die met de fakkel meekomt is niet: bezit. Het is: geef door, en zorg dat er genoeg is voor iedereen. Want pas als iedereen genoeg heeft, hoeft niemand meer het Hart te willen zijn. Dan staken de hoeken, dan rust het midden, en dan — pas dan — zijn we er.
Dat is de mythe. Niet die van Allen, en niet helemaal de jouwe: de zijne, doorgegeven, en nu met jouw stem erbij.