Elke ster pulseert: hij zwelt op, wordt in een snelle stijging fel, en dooft daarna in een trage daling weer weg — de klassieke zaagtand. De piek ligt niet in het midden maar vroeg: ik meet de flux-piek hier op fase ~0.16 (rode lijn). Curve Firmus ankert zijn τ op een ander kenmerk (flux-verdubbeling vanaf het dal, dal→overshoot-genormaliseerd) en certificeerde per ster τ≈0,23, met een cluster op 0,24 over N=97 (grijze lijn). Welk exact getal je krijgt hangt af van wélk kenmerk van de scheefheid je ankert — maar alle zeggen hetzelfde: de piek zit vroeg, ver van het symmetrische 0,5.
De tegenhanger van het drie-lichamen-verhaal. Waar de drie-lichamen-cycli symmetrisch waren (τ=0,50 — bindt niet), is de ster scheef: snelle stijging, trage daling. Díe scheefheid vangt Curve Firmus, en dáár bond hij (N=97). Zelfde meetlat, tegengestelde uitkomst — precies waarom hij iets betekent: hij zegt niet overal "ja". Eerlijke kanttekening: de spiegel 1−τ=0,76 ↔ 0,74 van speculatiecycli is suggestief, maar met een gemeten piek op ~0,16 hangt de exacte spiegel af van de ankerdefinitie — de scheefheid is hard, het precieze getal minder.